Rechtspraak van het Europees Hof van Justitie

Nota van de redactie: Onderstaand worden de voornaamste arresten vermeld die de laatste 30 jaar gewezen zijn door het Europees Hof van Justitie op het vlak van rij-en rusttijden en de registratie ervan door de  tachograaf.

De meeste van deze arresten werden gewezen op basis van prejudiciële vragen die de nationaal bevoegde rechtbanken hebben gesteld ten einde een interpretatie te verkrijgen van artikels of termen uit de toepasselijke reglementering van de Europese Commissie. De meeste arresten zijn gebaseerd op de opgeheven Verordening (EEG) n°3820/85 (of zelfs n°  543/69) tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer. Vele van deze artikels of termen uit deze artikels zijn evenwel hernomen in de nieuwe Verordening (EG) n° 561/2006, zodat het in aanmerking nemen van deze interpretatie in sommige omstandigheden nuttig zou kunnen zijn.

1. Arrest Andreas Seeger, Zaak C-554/09 , Europees Hof van Justitie, 28 juli 2011

De in artikel 13, lid 1, sub d, tweede streepje van  verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot  harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer moet aldus worden uitgelegd dat hieronder niet valt verpakkingsmateriaal, zoals lege flessen ( lege emballage) dat wordt vervoerd door een wijn- en drankenhandelaar die een winkel exploiteert, eenmaal per week aan zijn klanten levert en dan de lege emballage ophaalt om deze naar zijn groothandelaar te brengen.

2. Arrest Raemdonck-Janssens BVBA , Zaak C‑128/04, Europees Hof van Justitie, 17 maart 2005

De in artikel 13, lid 1, sub g, van verordening nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer gebruikte begrippen „materieel of uitrusting” moeten in het kader van de bij artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer ingevoerde uitzonderingsregeling, die bepaalde voertuigen vrijstelt van de verplichte uitrusting met een tachograaf, aldus worden uitgelegd dat zij niet alleen betrekking hebben op „gereedschappen en werkmiddelen”, maar eveneens de goederen, zoals bouwstoffen of kabels, omvatten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de werken die tot de hoofdactiviteit van de bestuurder van het betrokken voertuig behoren.

Een dergelijke activiteit, die in de zin van dat artikel 13, lid 1, sub g, niet kan bestaan in het besturen van het voertuig, moet de hoofdactiviteit van die bestuurder en niet die van de betrokken onderneming zijn.

3. Arrest Bourrasse, Zaak C-228/01 en C-289/01, Europees Hof van Justitie, 7 november 2002

Ingevolge artikel 14 van verordening nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, zowel in de oorspronkelijke versie als in die welke voortvloeit uit verordening nr. 2135/98, is het een in een lidstaat gevestigde wegvervoersonderneming die voertuigen zonder bestuurder verhuurt aan een in een andere lidstaat gevestigde wegvervoersonderneming, niet toegestaan de tachoschijven van de verhuurde voertuigen te blijven beheren, want volgens de leden 1 en 2 van dit artikel verstrekt de werkgever de schijven aan de bestuurders, vervangt hij ze naar gelang van de behoeften en bewaart hij ze vervolgens gedurende ten minste een jaar.

4. Arrest Skills Motor Coaches ltd, Zaak C-297/99, Europees Hof van Justitie, 18 januari 2001

Artikel 15 van verordening nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, moet aldus worden uitgelegd dat de verplichting voor de bestuurder, alle andere werktijden te registreren, ook geldt voor de tijd die hij nodig heeft om zich te verplaatsen teneinde een voertuig over te nemen waarin een controleapparaat moet worden geïnstalleerd en gebruikt en dat zich elders bevindt dan in zijn woonplaats of het exploitatiecentrum van de werkgever, ongeacht of deze laatste dienaangaande instructies heeft gegeven dan wel of de bestuurder kan kiezen, wanneer en hoe hij dat traject aflegt.

Tijdens dat traject komt hij immers een verplichting tegenover zijn werkgever na en beschikt hij dus niet vrij over zijn tijd.

Voorts moet artikel 15 aldus worden uitgelegd dat de betrokken verplichting ook geldt voor de tijd die een bestuurder, voordat hij een aan deze verordening onderworpen voertuig overneemt, in het kader van een vervoerdienst die niet binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 3821/85 valt, aan het besturen van een voertuig besteedt.

5. Arrest Alan Jeffrey Bird, Zaak C-235/94, Europees Hof van Justitie, 9 november 1995

Gezien zijn bewoordingen en zijn context staat artikel 12 van verordening nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, een bestuurder niet toe om vóór het begin van het traject bekende redenen af te wijken van de in de artikelen 6, 7 of 8 van de verordening vervatte bepalingen betreffende rij- en rusttijden.

Uit artikel 12 blijkt immers, dat alleen de bestuurder ter verzekering van de veiligheid van personen, van het voertuig en van zijn lading kan beslissen langer te rijden dan normaal door de verordening wordt toegestaan, dat die beslissing moet worden genomen wanneer de bestuurder onverwachts in de onmogelijkheid komt te verkeren de vastgestelde rij- en rusttijd na te leven, en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de vereisten inzake wegveiligheid op dat ogenblik. Verder verzet artikel 15, lid 1, van de verordening, waarin wordt bepaald dat de vervoersondernemingen het werk van de bestuurders zodanig moeten organiseren, dat dezen de verordening kunnen naleven, zich ertegen, dat de onderneming vóór het vertrek van de bestuurder een afwijking plant.

6. Arrest MARC MICHIELSEN EN GEYBELS TRANSPORT SERVICE NV., zaak C-394/92, Europees Hof van Justitie,  9 juni 1994  

1. "De dagelijkse werktijd" in de zin van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, omvat de rijtijd, alle andere werktijden, de tijd dat de bestuurders beschikbaar zijn, de werkonderbrekingen en de dagelijkse rusttijd, voor zover deze niet langer dan een uur duurt, wanneer de bestuurder deze rusttijd in twee of drie perioden verdeelt. Die dagelijkse werktijd begint op het moment waarop de bestuurder, na een periode van wekelijkse of dagelijkse rust, de tachograaf in werking stelt of, in geval van splitsing van de dagelijkse rust, aan het einde van de rustperiode die minimaal acht uur heeft geduurd. Hij eindigt aan het begin van een periode van dagelijkse rust of, in geval van splitsing van de dagelijkse rust, aan het begin van een rustperiode van minimaal acht opeenvolgende uren.

2. Het begrip "dag" in de zin van verordening nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, en van verordening nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, moet aldus worden opgevat, dat het synoniem is met het begrip "periode van 24 uur", dat doelt op elke tijdsspanne van die duur die begint op het moment waarop de bestuurder de tachograaf in werking stelt na afloop van een periode van wekelijkse of dagelijkse rust.

7. Arrest Van Swieten BV, ZAAK C-313/92, Europees Hof van Justitie,  2 juni 1994 6. Arrest Van Swieten BV, ZAAK C-313/92, Europees Hof van Justitie,  2 juni 1994

1. Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, moet aldus worden uitgelegd, dat het ook van toepassing is op binnen de Gemeenschap met in een Lid-Staat ingeschreven voertuigen verricht wegvervoer naar of uit derde landen die geen partij zijn bij de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorvoertuigen in het internationale vervoer over de weg, of in transito door deze landen.

Het nuttig effect van die verordening zou immers in gevaar komen, indien de toepassing van de communautaire regeling afhing van het traject dat door de in de verschillende Lid-Staten ingeschreven voertuigen wordt gevolgd, en indien het nationale recht van toepassing bleef wanneer het traject slechts gedeeltelijk binnen de Gemeenschap ligt.

2. De uitdrukking "elke periode van 24 uur" in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 3820/85 moet aldus worden opgevat, dat zij doelt op elk interval van die duur dat begint op het moment waarop de bestuurder, na een periode van wekelijkse of dagelijkse rust, de tachograaf in werking stelt. Wanneer de dagelijkse rust is genomen in twee of drie afzonderlijke periodes, dient de berekening te beginnen aan het eind van de periode die minimaal acht uur heeft geduurd.

Alleen met die uitlegging kan immers worden bereikt, dat de rij- en rustperiodes elkaar zodanig afwisselen, dat de verkeersveiligheid is gewaarborgd en de arbeidsvoorwaarden van de bestuurder worden verlicht, welke doelstellingen door de verordening worden beoogd.

8. Arrest KEVIN ALBERT CHARLTON, Zaak C-116/92 , Europees Hof van Justitie,  15 december 1993

Artikel 7, leden 1 en 2, van verordening nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, moet aldus worden uitgelegd, dat het bestuurders die onder de werkingssfeer van deze verordening vallen, verboden is, gedurende meer dan 4 1/2 uur ononderbroken te rijden. Wanneer een bestuurder evenwel een onderbreking van 45 minuten in acht heeft genomen, in één keer of door verschillende onderbrekingen van tenminste vijftien minuten binnen of aan het eind van een rijtijd van 4 1/2 uur, dient de in artikel 7, lid 1, van de verordening bedoelde berekening opnieuw aan te vangen, ongeacht de rijtijd en de onderbrekingen die die bestuurder voordien in acht heeft genomen.

Het aanvangspunt van de in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 3820/85 bedoelde berekening valt samen met het tijdstip waarop de bestuurder het in verordening nr. 3821/85 bedoelde controleapparaat in werking stelt en begint te rijden.

9. Arrest STAEDTEREINIGUNG K. NEHLSEN KG, Zaak NO. 47/79, Europees Hof van Justitie, 6 december 1979

OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 4 , SUB 4 , VAN VERORDENING NR . 543/69 VAN DE RAAD TOT HARMONISATIE VAN BEPAALDE VOORSCHRIFTEN VAN SOCIALE AARD VOOR HET WEGVERVOER , ZOALS GEWIJZIGD BIJ VERORDENING NR . 2827/77 , IS BEDOELDE VERORDENING NIET VAN TOEPASSING OP VERVOER MET ' ' DOOR ANDERE OVERHEIDSINSTANTIES VOOR OPENBARE DIENSTEN GEBRUIKTE VOERTUIGEN . ' ' DEZE WOORDEN MOETEN ALDUS WORDEN UITGELEGD , DAT ZIJ UITSLUITEND BETREKKING HEBBEN OP VOERTUIGEN DIE EIGENDOM ZIJN OF TER BESCHIKKING STAAN VAN DE OVERHEID , EN NIET OP VOERTUIGEN DIE EIGENDOM ZIJN VAN EEN PARTICULIERE ONDERNEMING WELKE DE VOERTUIGEN GEBRUIKT BIJ DE UITOEFENING VAN EEN OPENBARE DIENST OF EEN DIENST VAN OPENBAAR BELANG DIE HAAR KRACHTENS EEN PRIVAATRECHTELIJKE OVEREENKOMST IS OPGEDRAGEN .